Vijf bloemekens

Wij hebben vijf bloemekens in den hof,

den hof van ons gezin.

't En is er niet veel, noch 'n is het raar,

maar wat ik wel weet en dat is toch waar,

elk bloemeken lief, het verdient zijn lof,

is 't voorwerp van ons min.


Het eerste dan is eene winterplant

geboren met Kerstnacht.

Z' is uit nu gebloeid tot een heelend kruid

en zoekt rondom haar 's menschen weeën uit,

bestrijdt 's menschen lijden met hand en tand.

Zij is een eed'le kracht.


Het tweede was vroeger een ronde knol

met vele blaadjes fijn,

maar nu, rank en rilde als een stalen spil,

thans bloeit ons die struik van beloften vol:

een zwaardlelie zal 't zijn.


Het derde met veel lieve bloempjes aan,

is: "kruidje roer mij niet",

zijn kelkjes die beieren in den wind,

heel 't hofje in hem zijn blijdschap vindt,

de minste beweging doet 't al vergaan:

is 't "lachebloempje" niet?


Het vierde dan, ach 't is zoo wondermooi,

zal een viooltje zijn.

Hoe needrig verspreidt het zijn goeden geur

in 't hofken voor vaders en moekes deur;

hoe klein het ook is, 't heeft een fraaien tooi:

't is zuiv're zonneschijn.


Het vijfde, het is nog een kleine bot,

maar ziet, hoe lief het is:

het bengelt zijn kopje en lustig kweelt,

wijl 't windje doorheen al zijn twijgjes speelt;

heel 't hofken is ook van dat bloemken zot:

een roosje is 't gewis.


Ach , Heere, bewaar onze bloemkens teer,

en zegen aller lot.

Ach, mochten w' eens spreiden voor Uwen Troon,

zoo heerlijk gevlochten een bloemenkroon,

gevlochten uit liefde en tot Uw eer:

dit smeeken w' U, o God!


26 april 1942