Het Muschje van de Gevangene

Zoo, hebt g' het dan zoover gebracht:

den weg tot mij getrokken?...

't Is dagen reeds dat ik betracht

u naar mijn kluis te lokken


en nu, daar hoor ik plots lawijd

hier aan mijn venster roepen,

wijl gij voorzeker bezig zijt

uw buiksken vol te snoepen...


Ja, kleine, vlugge kruimeldief

verwittig uw trawanten,

gij vindt het lekkertjes en lief,

gij roept het t' allen kanten.


Wat zijt gij, muschken, wijfje of man?

Of zijt g' een teeder moerken?

Mij dunkt uw roep niet zoeter kan,

't klinkt als een echt "mamoerken"...


Nee, blijf maar rustig zitten, hoor,

al wou 'k gezelschap zoeken,

geen nood dat ik uw ontbijt stoor,

ik houd van uw bezoeken!


'k Zie nu en dan uw lijfken slank

door mijn gestreepte ruiten,

gij zijt hier, op mijn vensterbank,

een boodschap mij, van buiten,


een boodschap die mij denken doet

aan lieve, vrije menschen,

een boodschap van beloofde goed

en van vervulde wenschen...


Komt, daagelijks, met u velen maar,

en spreek mij al te gader

van zon... en bloem... Dat brengt voorwaar,

mijn vrijheid mij wat nader!


25 april 1942